Vijf vragen over het Bestuursakkoord 2011 – 2015

st28 april 2011 | Jeugdbeleid, Werk, Zorg – Sociaal Totaal
De tekst van het Bestuursakkoord 2011 – 2015  is een feit. De overeenkomst wordt gesloten tussen het Rijk en de lagere overheden en zorgt op sociaal vlak voor heel wat opschudding. Denk aan de invoering van de Wet werken naar vermogen, het einde van de AWBZ-begeleiding en de transitie van de jeugdzorg. Wat zijn voor sociale professionals de belangrijkste speerpunten uit het bestuursakkoord?

Door: Olga Hoekstra

1. Wat is een bestuursakkoord?
Een bestuursakkoord is een akkoord tussen het Rijk en lagere overheden waarin afspraken staan, onder andere over de manier waarop de lagere overheden (onder meer gemeenten) hun verantwoordelijkheden invullen. Ook wordt vastgelegd wat lagere overheden krijgen aan (Rijks)geld om deze verantwoordelijkheden uit te oefenen. Daarnaast kunnen afspraken worden gemaakt over de manier waarop overheden met elkaar om (dienen te) gaan.

Deze afspraken gelden voor de duur van de kabinetsperiode. Het akkoord moet als geheel worden aangenomen of afgewezen. Er kan niet op onderdelen worden beslist. Als het niet lukt om het bestuursakkoord als totaalpakket af te sluiten, zullen belangenorganisaties zoals de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) op ieder onderwerp apart de onderhandelingen met het Rijk moeten aangaan.

2. Wat staat er op sociaal vlak in het Bestuursakkoord 2011-2015?
Belangrijk in dit bestuursakkoord is vooral de grote decentralisatieoperatie. De gemeente krijgt er een aantal belangrijke taken bij op het gebied van de (uitvoering van de) sociale zekerheid en het jeugdbeleid. Het gaat om de uitvoering van de Wet werken naar vermogen, om de overdracht van de begeleiding uit de AWBZ naar de Wmo en om taken binnen het jeugdbeleid die nu toebehoren aan onder meer de Provincies. Dit is een omvangrijke operatie, waarbij naar schatting 8,5 miljard euro aan budgetten wordt overgeheveld.

Om deze decentralisatieopdracht goed uit te voeren, zullen gemeenten met elkaar moeten gaan samenwerken. De uitvoering dient ‘bovenlokaal’ te worden opgepakt. Hoe wordt samengewerkt, is aan gemeenten zelf overgelaten. Er kan een samenwerking komen op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, maar er kan ook gedacht worden aan een constructie waarbij wordt gewerkt met een centrumgemeente. Gemeenten krijgen een jaar om te kiezen.

3. Wat staat er in het Bestuursakkoord 2011 – 2015  over de Wet werken naar vermogen (Wwnv)?
De doelstelling van de Wet werken naar vermogen is om mensen die wel (beperkt) kunnen werken en nu in aparte regimes in de WWB, WIJ, Wajong en Wsw zitten, dezelfde rechten, plichten en arbeidskansen te geven. Om dit mogelijk te maken wordt ondermeer het re-integratiebudget ontschot. Dit bestaat uit het WWB-re-integratiebudget, het Wsw-budget en een deel van het huidige Wajong-re-integratiebudget.

De sociale werkvoorzieningen worden geherstructureerd. Hiervoor wordt een onafhankelijke commissie ingesteld. Daarnaast komt er een commissie die onderzoek gaat doen naar manieren die gemeenten ‘prikkelen’ om de uitgaven op basis van de Wwnv zo laag mogelijk te houden.

Ook wordt per 2013 het instrument van loondispensatie (tijdelijk) ingevoerd. Zo moet mensen worden gecompenseerd, die ‘als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke en/of psychische beperking, dan wel om andere redenen, niet in staat zijn zelfstandig 100% van het wettelijk minimum loon te verdienen’. Er komt wel selectie aan de poort in de vorm van een toegangstoets. Na drie jaar komt er een evaluatie.

Het beleid dat gemeenten gaan voeren op basis van de Wwvn, moet in een verordening worden vastgelegd. Dit beleid moet erop toezien dat de verschillende groepen die nu onder de Wwnv vallen, in ‘vergelijkbare mate aan bod komen’. Wel is speciale aandacht voor mensen met een arbeidshandicap. Zo wordt teruggekoppeld naar een van de doelstellingen uit het Regeerakkoord. Ook moet in de verordening het beleid worden vastgelegd dat gemeenten voeren inzake beschut werk in de sociale werkvoorziening.

De groep die nu al werkt met een wsw-indicatie blijft onder de huidige regeling vallen. Vanaf 2014 komen er jaarlijks een beperkt aantal plaatsen vrij voor beschut werk.

4. Wat staat er in het Bestuursakkoord 2011 – 2015 over de AWBZ en de Wmo?
De begeleiding voor mensen met een beperking die nu geregeld is in de AWBZ moet vanaf 2013 geregeld zijn in de Wmo. Gemeenten worden dus verantwoordelijk voor de begeleiding. Zo wordt begeleiding dichterbij de burger gebracht, is het idee. De begeleiding moet vallen onder de compensatieplicht uit de Wmo, bestaande rechten gaan niet over.

Hoe het gaat met het Persoonsgebonden Budget (PGB) is nog even de vraag. De VNG moet samen met het Rijk gaan uitzoeken of ‘het PGB geen onredelijke beperking oplevert voor doelmatigheid en doeltreffendheid in de Wmo’.

Gemeenten worden vanaf 2013 verantwoordelijk voor mensen die een nieuw / hernieuwd beroep doen op begeleiding. Een jaar later moet de Wmo voor iedereen gaan gelden die begeleiding krijgt. De AWBZ-indicatie eindigt voor iedereen op 1 januari 2014 of eerder als de indicatie eerder afloopt.

Ook hier geldt dat gemeenten in een beleidsplan moeten opschrijven hoe zij de kwaliteit van de overgehevelde begeleiding en het toezicht daarop lokaal zullen vormgeven. Ook moeten gemeenten regelmatig onderzoeken doen naar de ervaringen van cliënten die begeleiding en huishoudelijke hulp ontvangen.
De overheveling zorgt er in ieder geval voor dat artikel 3 lid 4 Wmo en artikel 9 Wmo worden uitgebreid of aangepast.

5. Wat staat er in het Bestuursakkoord 2011 – 2015 over het Jeugdbeleid?
In 2016 moet de gemeente verantwoordelijk zijn voor (de uitvoering van) de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. Kortom, over 5 jaar moeten gemeenten totaalverantwoordelijk zijn voor (de uitvoering van) alle aspecten van de jeugdzorg. Zij moeten zich buigen over wat nu nog apart is opgeknipt in Provinciale jeugdzorg, de jeugd-GGZ, de zorg aan licht verstandelijk beperkte jongeren, jeugdreclassering en jeugdbescherming en de gesloten jeugdzorg. En dan gaat het niet alleen om de jongere zelf. Ook wordt de gemeente verantwoordelijk voor de zorg aan en begeleiding van hun opvoeders.

Uitgangspunt is dat alle zorg wordt overgeheveld. Wel is er een escape: als er uit onderzoek blijkt dat er ‘heel dwingende en zwaarwegende redenen’ zijn om in bepaalde gevallen de zorg niet bij gemeenten onder te brengen, kan afgezien worden van decentralisatie.

In het Bestuursakkkoord wordt gesproken over een ‘nieuw wettelijk kader’, waarin de opdracht aan gemeenten wordt neergelegd. Er kan daarin worden afgeweken van de aanspraken die gelden op basis van de huidige wetten en regels.
Daarbij moet het mogelijk zijn om te experimenteren met nieuwe manieren van werken om ervaringen op te doen. Het wetsvoorstel voor de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), dat bij de Tweede Kamer ligt, heeft daarvoor een ‘experimenteerartikel’. Zo kunnen gemeenten afwijken van regels uit de Wet op de jeugdzorg. Deze afwijkmogelijkheid geldt trouwens niet voor jeugdzorg in een gedwongen setting.

Gemeenten worden verantwoordelijk, maar de Rijksoverheid blijft een toezichthoudende rol houden. Dit geldt in ieder geval voor situaties die betrekking hebben op de gesloten jeugdzorg, gevallen waarin de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) geldt en voor justitiële jeugdzorg.

Kern is dat het systeem van de jeugdzorg simpeler moet en meer prikkels moet bevatten om ‘de nadruk te leggen op collectieve preventie en ondersteuning in een vroegtijdig stadium’.

Tot slot
Tot slot nog dit. Het Bestuursakkoord 2011 – 2015 is nog niet gesloten. De VNG laat haar leden beslissen of er wel of niet getekend gaat worden. Deze beslissing valt (waarschijnlijk) op de algemene ledenvergadering op 8 juni.

Geschreven door Persbericht

28 april 2011

Reageer op dit bericht.