Kwaliteit openbaar bestuur – deel 2
Een competente Raad is toeval
Vanuit de context van de grondbeginselen van de democratie geredeneerd, waarbij aan volksvertegenwoordigers geen rechtstreekse competentie eisen mogen worden gesteld, is het dus wel beschouwd pure mazzel als een gemeenteraad vooral bestaat uit competente mensen. Dat ervaart de lezer wellicht als een gedurfde stelling. Maar als we deze stelling nog iets omstandiger onderbouwen, zult u het wellicht als houdbaar(der) aanvaarden.
De vraag die men kan stellen is namelijk wie zich nu voor een raadlidmaatschap beschikbaar stelt in een welvarend land. Het antwoord daarop is niet eenvoudig te onderbouwen. Het is echter een gegeven dat raadswerk tijd kost. Als men het raadswerk goed wil doen, kost het veel tijd. Men kan met gerust hart stellen dat het gros der geslaagde maatschappelijke bestuurders en managers die tijd ontbeert en daarom bij voorbaat niet meedoet.
Als men de tijdskwestie onverhoopt wel overwint, is er de kwestie van de mores. Het is een praktijkgegeven dat raadsleden zich in het politieke spel – zowel binnen eigen gelederen als in de politieke arena an sich – thuis moeten voelen. Het is gebleken dat goed opgeleide en maatschappelijk geslaagde bestuurders en managers – vaak in hun reguliere werkkring gewend aan het principe dat de rede en intelligentie prevaleert – zich enorm laten afschrikken door de veel minder transparante mores in de politiek.
Maatschappelijk voor bestuurs- en beleidfuncties opgeleide kandidaten vallen dus vrijwel allen af als potentieel kandidaat en doen zij desondanks wel mee, dan haken zij vaak zeer snel af. Dat fenomeen zien we vooral bij de bestuurlijk meest onderlegde partijen CDA en VVD en beduidend minder bij idealistische partijen als GL en SP. Dat is uit recent onderzoek naar het binnenlands bestuur weer eens overduidelijk gebleken.
Kortom, hoewel er geen sprake is van een vooropgezette selectie op competentie is er wel sprake van een schifting. Dat is geen positieve, maar juist een negatieve selectie. Dat betekent eenvoudig gezegd dat de vijver waaruit het openbaar bestuur voor haar volksvertegenwoordigers moet vissen, vooral vissen bevat van de midden- en ondermaat.
Een conclusie door deductie en eentje die mijn stelling verder onderbouwt dat het beschikken over een grosso modo competente Raad eerder toeval dan waarschijnlijkheid betreft.
Kwaliteit openbaar bestuur
De kwaliteit van het openbaar bestuur is onderwerp van grote zorg. Niet alleen bij mij – als gekend criticus van het lokale bestuur. Mijn (oude) partij de VVD was een groot voorstander van een kleine centrale overheid en een grotere verantwoordelijkheid voor gemeenten. Ik ben daarover van meet af aan zeer negatief kritisch geweest in de uitvoeringsvorm die men voor stond. Ik geloof alleen in een kleinere overheid als er competente grotere gemeenten worden gevormd.
Nederland kent momenteel 421 gemeenteraden. Het aantal deelraden is mij onbekend. Deze 421 gemeenteraden hebben stuk voor stuk verregaande vrijheid hoe zij de maatschappelijke en fysieke ruimte ordenen en beheren. Zij worden daarin maar zeer ten dele gestuurd, betutteld of beperkt door hogere overheden.
Dat was in voorgaande era niet heel anders en er waren vroeger zelfs meer gemeenten. Wat echter een grote en wezenlijke verandering teweeg bracht was dat – mede op initiatief van de VVD – gemeenten naast het verkrijgen van meer autonomie en beleidsverantwoordelijkheid, meer (eigen) inkomstenbeleid moesten gaan voeren.
Daar is het vooral mis gegaan. Gemeenten zijn verworden tot bestuurlijke ondernemingen waar buitengewoon risicodragend wordt ondernomen en geïnvesteerd. Gemeenten zijn zelfs met elkaar gaan concurreren. Regionaal en interregionaal. Men wil de grootste ‘Mall’, het grootste meubelcentrum, de grootste moskee, het grootste stadion, men wil het mooiste stadscentrum, het meest luxueuze sportcentrum, de best bereikbare binnenstad, de meest unieke kantoorpanden. Ga zo maar door. Die ambities zijn niet zelden slechts de ambities van enkele dagelijkse bestuurders, die erin slagen gemeenteraden te enthousiasmeren en met zalvende woorden kokette plannen door de Raden te jassen.
De zelfkant van die moderne lokale bestuurscultuur is niet alleen financieel voelbaar in steeds meer gemeenten. Er ontstaat ook een onstuitbare verrommeling van de openbare ruimte, een gebrek aan thematiek en concentratie, een inrichtingsplanning die soms diametraal, soms diagonaal op landelijk beleid staat. Een centrale overheid die omwille van bereikbaarheid bedrijven suburbaniseert terwijl de naar inkomsten en werkgelegenheid hunkerende gemeente ze juist aantrekt. Een centrale overheid die thematische en geleide invulling van de ruimte ambieert, terwijl de gemeenten ieder voor zich hun verzorgingsgebied naar eigen goeddunken invullen. Een centrale overheid die ambieert om culturele landschappen visueel toegankelijk te houden langs voorname verkeersaders, terwijl gemeenten uit inkomstendrang die visuele geneugten juist blokkeren met kantoren en industrie.
Bovengestelde zaken zijn niet persé zaken die direct de kwaliteit van gemeenteraadsleden raken, maar meer het gevolg van selectieve blindheid of juist selectieve visie van gemeenteraden. Indirecte gevolgen dus van kwaliteitsarmoede.
Beduidend ernstiger wordt het als men de loep hangt boven de bedrijfseconomische mores in de Nederlandse gemeenten. Men hoeft maar een aantal opvolgende jaaroverzichten OZB te downloaden om een voorindicatie te vinden voor gemeenten waar iets flink mis is gegaan in de afgelopen jaren. Plotselinge harde stijgingen van de OZB zijn daarvoor de beste indicatie. In dergelijke gemeenten is men speculatief op de bips gegaan, heeft men de budgetten niet kunnen aanhouden en was sprake van meer dan marginale overschrijdingen. En dat zijn geen uitzonderingen! Ik daag u uit een paar overzichten naast elkaar te leggen en u zult schrikken. Niet voor niets stijgt het landelijke OZB gemiddelde structureel ruim boven de geldontwaardigingstrend.
Bedrijfseconomische aspecten
Het gros der gemeenteraadsleden is niet competent genoeg om de vaak ingewikkelde dagelijkse financiën van een gemeente op de merites te toetsen. Laat staan dat men in staat is complexe projecten of investeringstrajecten op de kwaliteit te beschouwen. In Leiderdorp ben ik van die praktijk getuige geweest, elders blijkt het niet anders te zijn. Een beetje googlen en men stelt eenvoudig vast dat vrijwel iedere gemeente tegenwoordig zijn eigen tranendal heeft.
Ik ben zelf al een twintig jaar werkzaam in een sector waar grote investeringen worden gedaan. De groot aannemerij in de industriële en infrastructurele omgeving. Buitengewoon complexe materie met een schijnbaar onstuitbare evolutie in aard en omvang van projecten, in de complexiteit van de onderliggende techniek en problematiek, en bovenal de contractuele achtergrond. Ik werk vrijwel uitsluitend met bedrijfseconomen, ingenieurs en juristen. Mensen die stuk voor stuk academisch zijn geschoold of tenminste HBO denkniveau hebben. In hun competentie gevormd door ervaring en dan nog vaak geconfronteerd wordend met onvolkomenheden, onderschatte risico’s en valkuilen. Dat zijn grosso modo competente functionarissen in een buitengewoon dynamische en veeleisende omgeving.
Gemeenteraadsleden moeten regelmatig in diezelfde omgevingen besluiten nemen. Zij moeten investeringen met een fiat sanctioneren, tussentijdse rapportages kunnen beschouwen op kansen en bedreigingen en daarnaast nog maatschappelijke wenselijkheid van bepaalde aspecten toevoegen. In Leiderdorp heb ik van dichtbij meegemaakt hoe dat in de praktijk werkt. Geen enkel lid van de Leiderdorpse gemeenteraad was in de periode 2000-2006 in staat een goede overweging te maken over de massa projecten die over de Raad werd uitgestort. Kennis kwam van enkele burgerleden, die bovendien slechts bij de VVD zaten wat voor een politiek uitgebalanceerde beeldvorming niet handig is.
Die kennis- en kundearmoede in de Raad, als het aankomt op bedrijfseconomische kennis van dergelijke grote investeringstrajecten, wordt in kleinere gemeenten niet gecompenseerd door kundige ambtenaren. Ambtenaren met kennis van dergelijke veelomvattende complexe investeringen zitten bij grote gemeenten of de centrale overheid. Daar vinden ze de uitdaging en het juiste salaris. Wethouders zijn zelden onderlegd in de materie, en degene die in Leiderdorp de man met de touwtjes in handen was, was het beslist niet. Dat was een demagoog en megalomaan, niet dwars gezeten door enige kennis terzake, maar wel voorzien van een overdosis redenaarskunst waarmee de gemeenteraad zich als kuddedieren liet meesleuren.
Die volstrekte kwaliteitsarmoede in gemeenteraden is niet alleen in directe zin levensgevaarlijk, maar ook in indirecte zin. Omdat de Raden nauwelijks in staat zijn investeringsplannen op de merites te beschouwen, worden de schaarse leden met kennis – die lastige vragen stellen of tegenstemmen – als dwarsliggers of recalcitrante elementen geportretteerd – vaak zelfs in de meest expliciete vorm door de lieden die zelf het minst door kennis worden geplaagd (ik noem geen namen Bart ?). In plaats van het zich optrekken aan competentie, zet men zich af tegen competentie en wordt beschouwelijke oppositie afgedaan als negativisme, oppositionele retoriek of opstandigheid. Ook dat heb ik zes, zeven jaar lang mogen meemaken. Naast die cultuur van het isoleren en karikaturiseren van de kennis, ziet men bovendien het uiterst kwalijke maar o zo gebruikelijke effect van het ambtelijke apparaat dat – aan de leiband van de wethouder(s) – gemeenteraden welbewust te lage begrotingen voor grotere investeringen aanbiedt om collegevoorstellen soepeltjes door de Raad te loodsen. Helaas denkt een bijzonder groot deel van Nederland dat de praktijk van vrijwel altijd ‘duurder’ uitvallende projecten meestal komt door onvoorziene zaken en de boosaardige markt. In veel gevallen is er echter sprake van – al dan niet opzettelijke – onderschatting van benodigde investeringsbudgetten.
Allert Goossens
Deel twee van drie
Deel drie: 13 februari a.s.









