Is politiek voor de domme?

aristoteles.gifEen aanzienlijk deel van de intelligentsia verafschuwt de (hedendaagse) politiek. Een ander deel is juist heel actief. Dat is een aardig gegeven om eens nader te beschouwen.

De filosofieën van Aristoteles, die een mengvorm van aristocratie [naar hem vernoemd] en democratie als ‘minst slechte’ vorm beargumenteerde, vormen voor het afhakende deel der intelligentsia een goed alternatief. Aristoteles was bepaald niet gecharmeerd van de huidige democratie. Stemrecht diende in zijn visie nog verworven te worden en voorbehouden te zijn aan de ervaren wijze denkers en de gegoede burgerij. Aristoteles had in die zin dan ook veel met het empirisme, ofwel het uitgangspunt dat ervaring leidt tot kennis. Temporaine beschouwd was Aristoteles in wezen dus meer een technocraat dan een democraat.

Marx zijn evangelie van gelijkheid en rechtvaardigheid kan het bij de politiek juist betrokken deel der intelligentsia weer meer bekoren.  Het sterk dogmatische Marxisme (en haar afgeleiden) is in feite een vorm van utopisme. Utopisme en irrationalisme zijn sterk verbonden met het Marxisme. In eerste instantie lijkt het tegenstrijdig dat juist intelligentsia – vooral wetenschappelijk aangelegde lieden – neigen naar een vorm van utopisme, maar juist een wetenschapper – in zijn zoektocht naar grensverlegging en empirische waarden – bereikt veel door zijn fantasie te laten werken en door niet-geijkte paden te verkennen.

In wezen zijn intelligentsia vaak of buitengewoon ‘soft’ – en neigen zij naar een zeer sociale gelijkheidsstructuur – of zijn zij zeer voor een technocratisch geleide samenleving waar kennis en kunde prevaleren boven ideologie. Dat zijn dus tegengestelde – divergerende – stromingen.

De reden waarom de ‘softe’ intelligentsia vooral in de politiek zijn vertegenwoordigd is eenvoudig. Ideologie is een veel emotionelere drijfveer dan technocratie. De emotie en de bevlogenheid van een ideoloog – een vaak overtuigd gelovige in een haast ideële samenlevingsvorm – profileert zich veel sterker dan de techneut die zich op ratio en empirische waarden baseert. Het is enigszins vergelijkbaar met de gelovige [theïst] die zich verhoudt met de ongelovige [atheïst]. De gelovige kan zich in wezen niet beroepen op een bewezen werkelijkheid en dient zich bij dat gebrek aan (empirisch) comfort veel meer uit te putten in zijn bevlogen en omstandige bewoordingen dan de atheïst die zich door wetenschappelijke waarden en gegevens gesteund weet. De technocraat voelt zich echter vaak veel minder thuis in de redenaarskunst dan de eloquente ideoloog omdat de technocraat vaak wars is van de sofistische en demagogische elementen die ideologen etaleren. Dat staat als het ware diametraal op de basis van de technocraat, die immers zoekt naar kernwaarden en bewezen feiten.

Ontwikkelingen in de politiek

rijken-colijn2.jpgDe moderne democratie – die bepaald anders is dan die van voor 1945 – schrikt intelligentsia die niet sterk ideologisch bevrucht zijn, af.

Voor 1945 was Nederland in veel opzichten echter een democratie met sterk technocratische elementen, zo u wilt zelfs met een milde aristocratische ondertoon uiteraard gelardeerd met de religieuze wortelen die vrijwel alle parlementariërs hadden. In het era 1848-1918 werd de politiek zelfs gedomineerd door technocratie met een liberale aristocratische ondertoon en was onze politiek met haar censuskiesrecht [=kiesrecht voor mensen met een bepaald inkomen of hoger] in wezen veel dichter bij Aristoteles zijn streven dan onze moderne democratie met zijn evenredige vertegenwoordiging.

Na de socialiseringslag in de samenleving en de introductie van algemeen kiesrecht [1917] – ook voor vrouwen [1919] – kwam de moderne democratie in haar embryonale fase terecht. Ondanks deze stappen bleef de politieke arena voorbehouden aan technocraten en aristocraten, tot de rechts-nationalistische stromingen in de jaren dertig in wezen de introductie van ‘gewone luyden’ introduceerde. De puberale fase van de moderne democratie.

Desondanks bestonden kabinetten uit vooral aristocraten en buitengewoon hoog opgeleide lieden, vaak zelfs (voormalige) captains of industry of maatschappelijk zeer hoog aangeschreven personen. Uiteraard waren daarbij – in de verzuilde samenleving – geloof en overtuiging vrijwel altijd aanwezig. Gemeenteraden en colleges waren vrijwel geheel gevuld met notabelen. Slechts de hoogste klassen waren vertegenwoordigd. Nodeloos te stellen dat zij vooral voor eigen parochie predikten en uiterst conservatief en dogmatisch dachten en handelden.

Vlak na de oorlog kwam een tweede belangrijke modernisering van de democratie van de grond. Er kwam een duidelijke ontzuiling, waardoor de vrijwel stelselmatig aanwezige verbondenheid met de kerk verminderde. Daarbij werd de politiek langzamerhand toegankelijker voor de gewone man en kwamen de socialisten veel prominenter in beeld. De eerste veertien jaar na de oorlog waren de socialisten in alle kabinetten vertegenwoordigd. Het was de vroeg adolescentie fase van de moderne democratie.

Nochtans was in deze periode nog steeds sprake van relatief veel hoog opgeleide politici, in Kamer en kabinet. Daarbij eveneens nog een aanzienlijke vertegenwoordiging van coryfeeën van voor de oorlog.

In de jaren zestig ontstond in feite pas de moderne democratie die we thans kennen, waarbij de mondigheid en het activisme uiteraard in samenleving en politiek een grote vlucht namen. Mogelijk kan men dit zelfs het begin van het populisme noemen, met een partij als D’66 als absolute vrucht van de kleine revolutie van de jaren zestig.

De kanteling die in de eeuw 1848 – 1948 plaatsvond in de politiek kan men meervoudig duiden als het begrip armoede in beeld komt. De eerste periode was het de rijkdom die volkomen domineerde boven de armoede, en in die zin was de armoede van de politiek het gebrek aan vertegenwoordiging van de gewone man in Den Haag. Vanaf 1948 werd echter een trend ingezet waarbij de armoede in de politiek zich anders kan laten duiden. Door de emancipatie van de arbeidspartij, van het socialisme in het algemeen, kreeg de gewone man een steeds sterkere vertegenwoordiging in de politiek. Dat zou zich steeds verder ontwikkelen. Daarmee werd het gevestigde intellect in de politiek langzaam verdrongen. Idealisme en sociale dogmatiek namen in de tweede helft van de 20ste eeuw geleidelijk toe in de politiek, zowel landelijk als lokaal. Daarmee kwam een verrijking van het spectrum, maar niet noodzakelijkerwijs ook een verrijking van het intellect.

Vanaf de jaren tachtig ontstonden twee duidelijk nieuwe stromingen, die nieuwe tegenstellingen in de politiek lieten zien naast het oude links-rechts en religie-seculier. Er ontstonden neo-liberale [VVD] en links-populistische [CPN, PSP, PPR] stromingen. In de jaren negentig kwam daarbij het rechts-populisme. Logisch dat de traditionele lijn links-rechts toen werd verbannen. Men begon zich politiek te sorteren in drie dimensies in plaats van in twee, voor zover in de periode 1930-1945 het fascisme en het nationaalsocialisme al geen extra dimensie aan de links-rechts lijn hadden toegevoegd.

In de zin van diversiteit nam de politiek een grote vlucht. Er was voor vrijwel iedereen een smaak en ondanks fusies van diverse partijen in het naoorlogse, is er heden ten dage een zo divers palet aan politieke smaken en geuren dat de effectiviteit van de politiek enorm is verminderd. Daar waar vroeger in de supermarkt de keuzes eenvoudig waren tussen een of twee producten met eenzelfde doel of smaaksoort, zijn er vandaag vakken vol met alternatieven. Het maakt de keuze er niet eenvoudiger op, maar desondanks ambieerde de burger ook een gelijke diverse keuze in het politieke spectrum. Het gevolg is versnippering en de nog immer niet gestilde ambitie van de naïeve burger ooit een partij te vinden die zich volledig conformeert naar de wens van de burger. Die wens is echter zo volatiel dat de partijen die inspelen op diezelfde volatiele burger zich zelden van een vast kernelectoraat verzekerd weten. Slechts de traditionele zuilenpartijen kennen de trouw van een min of meer vaste kern. De overige partijen, zelfs de traditionele Partij voor de Arbeid, bevinden zich in een steeds concurrerender spectrum.

Is die ontwikkeling een verrijking? Optisch wellicht wel, maar intrinsiek bepaald niet. Staatsmanschap – de visie voor overmorgen – is een onbezoldigde deugd geworden. Het loont niet meer en het gelijk van gisteren is politiek nauwelijks te verzilveren. De politiek is daardoor een walhalla geworden voor de demagoog, de populist en de intrigant. Zij heeft daarmee een enorme devaluatieslag ondergaan.

Kansen en bedreigingen

renaissance.jpgDe laatste twee tot drie decennia hebben we ook lokaal de wrange vruchten van de laatste kleine renaissance geplukt. De lokale politiek – provinciaal of gemeentelijk – is geen monopoly meer voor de notabelen. In de zin van het doorbreken van klassenstructuren is dat wellicht een winpunt. Ten aanzien van de kwaliteit – althans de intellectuele bagage en opleiding die notabelen in de meeste gevallen hadden – is het bepaald geen deugd.

De niet-ideologisch georiënteerde intelligentsia worden tegenwoordig vrijwel niet meer op enige wijze aangetrokken door de politiek. Als zij zich al laten verleiden tot de politiek, dan haken zij met regelmaat spoedig weer af, murw geslagen door de irrationele structuren en gewoonten die de politiek zo onlogisch maken. In de politiek is iedereen namelijk nominaal gelijk. De intellectueel dient zich te verhouden met de proleet en de weinig geschoolde, als die een zetel of functie hebben weten te bemachtigen. Daarbij ervaart de intellectueel dat zijn bewijsbare of aannemelijke kennis en inzicht wordt ‘over-powered’ door de schreeuwer of eloquente opponent. Er wordt niet gestuurd of beslist op de rede of op de empirische werkelijkheid, maar op de emotie en de ideologie. Zaken die voor een technocraat nauwelijks zijn te verwerken. Het is een van de hoofdoorzaken voor de intelligentie armoede in de lokale politiek. De intelligentsia voelen zich niet erkend, niet op waarde geschat en vooral oncomfortabel bij de ‘waan van de dag’ en ‘streberei’ binnen de lokale politiek.

Lokale politiek is steeds meer het walhalla geworden voor de gelukzoeker en opportunist. Men hoeft nog niet eens bijzonder goed gebekt te zijn, als men het mechanisme maar kent en beheerst van het zoeken van opportune verbindingen en verbonden. Bij gebrek aan interesse voor de lokale politiek bij veel partijen, zeker die welke zich centraal of enigszins rechts van het midden begeven, komen lichtgewichten boven drijven.

Het fnuikende element is dat mensen die in het dagelijks leven zich niet of nauwelijks zouden kunnen ontworstelen aan de onder- of middenmaat, in met name de lokale politiek kansen zien om macht naar zich toe te trekken. In de lokale politiek kan men immers zonder al te veel inspanning – en zeker zonder al te veel carrière terzake – soms tot een grote macht reiken. Dat doet zeker opgeld voor de partijen aan de linkerkant van het spectrum, waar men uit de aard der zaak de dogma’s van gelijkheid en rechtvaardigheid laat prevaleren boven geschiktheid. De activistische inspanning en gedrevenheid wint het van het koele intellect en overleg.

De gemiddelde gemeenteraad in een Nederlandse gemeente kent daarom inmiddels een stuitende armoede als het aankomt op technische kennis en kunde. Wethouders die worden aangesteld zonder dat zij terzake als (des)kundige bestuurders zouden kunnen worden aangemerkt en raadsleden die zuiver en alleen op basis van een arbitraire partijselectie op kieslijsten verschijnen. Competentie is een ondergeschoven kwaliteit geworden.

Met de recente decentralisatie van het beleid, hebben gemeenten veel meer verantwoordelijkheid gekregen. Gemeenten hebben enerzijds meer te zeggen in lokale uitvoering van centraal beleid, maar anderzijds ook meer verantwoording gekregen het centraal beleid te ondersteunen. Gemeenten hebben meer autonomie gekregen in het regelen van hun financiën, maar tegelijkertijd meer verantwoordelijkheid tot verwezenlijking van regionaal beleid. De gemeentelijke portfolio is in die zin verrijkt met meer verantwoordelijkheid, meer macht en meer manipulatieve instrumenten.

Die ontwikkeling is parallel verlopen met de verarming van de kennis en kunde in diezelfde gemeenten. De uitdijende portfolio aan beleidsverantwoordelijkheid en autonomie verhoudt zich omgekeerd evenredig met de afgenomen kennis. Daarbij zijn veel beleidszaken door toegenomen civielrechtelijke en bestuursrechtelijke complexiteit tot een hoger competentieniveau gestegen. Daarbij kan men denken aan de toegenomen Europese regelgeving, de veel complexere aanbestedingsrichtlijnen, de enorm toegenomen milieuwetgeving en vooral ook de introductie van de juridisch en financieel uiterste complexe Publiek Private Samenwerkingen. Dergelijke fenomenen vereisen competenties bij lokale overheden die zich – wederom – omgekeerd evenredig verhouden tot de ontwikkeling van de samenstelling van zowel het politieke als het ambtelijke gremium.

Ook de centrale overheid heeft deze merkwaardige contradictoire ontwikkeling doorgemaakt, vooral onder leiding van een neoliberale stroming die streeft naar kleine overheden. Men heeft de centrale overheid sterk verarmd als het aankomt op kennis. Kenniscentra zijn afgebroken, grondig weggesaneerd. Zo zijn er met name bij de in Nederland zeer belangrijke ministeries als VROM en Verkeer en Waterstaat duizenden ambtenaren met specialistische kennis verdwenen. De overheid als deskundig opdrachtgever is bij kans verdwenen. Men huurt de kennis nu voor veel geld in op de markt. Een zaak die zowel landelijk als lokaal leidt tot buitenproportionele inhuur van derden. Dat mechanisme op zich is niet verkeerd. Maar het is een enorme bedreiging voor de kennisportfolio van de centrale en decentrale overheid. Men huurt de kennis immers selectief in en men raakt afhankelijk van sommige partijen. Daarbij blijft men in de dagelijkse bestuurszaken de interne kenniscentra node missen. Dat biedt enerzijds kansen voor opportune bestuurders, maar het biedt vermoedelijk veel meer bedreigingen door een zeker vorm van ‘van banque’ beleid.

Pikmeer en lokale competentie

aansprakelijk.jpgRecent schreef ik een groot artikel over de (on)werkelijkheid inzake de beperkte afrekenbaarheid van de lokale bestuurder ten aanzien van (wan)beleid (klik hier). In Nederland is het Pikmeerarrest [I en II] in feite leidend geworden voor de beoordeling van de mate waarin een bestuurder of ambtenaar aansprakelijk is voor gevoerd beleid. Daarin zit een zeer sterke beperking van aansprakelijkheid ingebouwd. Het komt erop neer dat de lokale bestuurder voor een aanzienlijk deel van zijn dagelijks werk een zekere immuniteit bezit. Daar waar een gewone burger of burgerfunctionaris wél civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn handelen, is de overheidsbestuurder meestal geheel of gedeeltelijk beschermd door wetgeving en jurisprudentie die hem immuniseren. Een onwezenlijk en in feite feodaal fenomeen.

Die extreme bescherming van de bestuurder wordt des te kwalijker als men dat gegeven naast de afnemende competentie van de (gemiddelde) bestuurder en zijn ambtenaren legt. In concreto betekent die divergerende ontwikkeling dat steeds vaker een bestuurder zich juridisch kan verschonen van afrekenbaarheid. Er ontstaat dus een steeds groter vacuüm tussen beleid en afrekenbaarheid, een steeds grotere kans op wanbeleid zonder gevolgen voor de veroorzaker(s). Het komt erop neer dat het wegsturen van een bestuurder in wezen steeds vaker aan de orde zal zijn.

Dat wegsturen van bestuurders een toenemende trend is blijkt al uit de cijfers. In 2006 stapten er nog 53 wethouders [29 wegens vertrouwensbreuken] in Nederland op, maar in 2007 waren dit er al 131 [waarvan 77 wegens vertrouwensbreuken]. Overigens was 2004 met 145 vertrokken wethouders een unieke trendbreker. Over het algemeen is de trend opwaarts, zeker sinds in 2002 het duale systeem werd geïntroduceerd en de band ‘fractie-wethouder’ minder sterk werd. Het jaar 2008 ligt op koers een nieuw ‘all time high’ te scoren.

Desondanks kan men los van de stijgende trendlijn constateren dat er eveneens een trend lijkt te ontstaan om bestuurders steeds meer te vergeven. Het was in de jaren negentig volmaakt ondenkbaar dat een vermijdbaar verlies van 1 miljoen gulden een wethouder vergeven zou worden. Vandaag de dag zien we wethouders die met een mea culpa en een goede tranentrekker wegkomen na een Multi miljoenenverlies – en niet alleen in Leiderdorp.

Een deel van de oorzaak ligt hem beslist in de financiële context. Een wethouder wegsturen betekent dat er een nieuwe aantreedt en dat de oude daarnaast op de begroting blijft drukken omdat zijn wachtgeld betaald moet worden. Stuurt men een heel college naar huis, dan zijn er zo drie, vier of vijf wethouders die als boekhoudkundig schaduwcollege op de begroting drukken.

De politiek laat de enige mogelijkheid op afrekenbaarheid dus vaak varen ten faveure van continuïteit en beperking van de kosten. Soms is hier iets voor te zeggen, zeker als een wethouder zelf in feite een competent bestuurder is en de oorzaak echt bij bijvoorbeeld een slecht functionerende ambtenaar ligt. Maar een weinig competente wethouder laten zitten omwille van een wachtgeldclaim, is incompetent besturen door een Gemeenteraad. Want die incompetentie kost geld en vaak veel meer geld dan het wachtgeld dat opgehoest moet worden. Daarnaast gaat men stelselmatig voorbij aan het feit dat slecht functionerende bestuurders handhaven voor burgers het zoveelste teken aan de wand is dat bestuurlijk Nederland onbetrouwbaar is. Merkwaardig is het dat politici die de mond vol hebben over de afstand tussen politiek en burger zelden schromen hun ‘eigen’ gildegenoten veel te lang de hand boven het hoofd te houden. Het wegsturen van wethouders is namelijk niet alleen een bestuurlijke noodzaak, maar eveneens een remedie voor de pijn voor wanbeleid bij de burgers. Genoegdoening is een onderschat fenomeen.

Exemplarisch Leiderdorp

zandput.jpgBovenstaande beschouwing mag dan ‘en generale’ gesteld zijn, ze is exemplarisch voor de politieke status in Leiderdorp. In Leiderdorp is sinds een kleine tien jaar een ongelofelijke politieke armoede ontstaan. Veel gearriveerde politici verdwenen uit de lokale politiek en werden opgevolgd door een selectie aan dominante strebers, die op onnavolgbare wijze het tafelzilver van Leiderdorp naar de lommerd hebben gebracht.

Victor Molkenboer – een pure demagoog van het zuiverste water – gesteund door twee hardvochtige partijgenoten heeft Leiderdorp volkomen uitgeleverd aan zijn hersenspinselen. Deze op en top progressieve PvdA’er heeft het gehele dorp verhypothekiseerd aan zijn megalomane plannen. Hij heeft met een veel te grote vork hooi geschept en het ene na het andere project geïnitieerd en aan de gemeenteraad weten te verkopen middels zijn alom bekende eloquente stijl. Onvoorwaardelijk en zonder uitdaging gesteund door zijn eigen partij, de zielloze CDA en een kansloze Groen Links fractie. Leiderdorp investeerde ver boven haar maat, ondanks talloze onderbouwde kritieken van de grootste lokale partij, de VVD. Er moesten vijf projecten langs de A4 worden ontwikkeld, een Centrumpleinplan worden opgezet en zodoende twee stedenbouwkundige assen ontstaan die het dorp een nieuw karakter en stads elan zouden geven. Dat alles zou strikt budgetneutraal geschieden.

Inmiddels is Leiderdorp volkomen in de ellende geraakt. De uitgevoerde elementen van het Masterplan W4 en Masterplan Centrumplein leverden tot nu toe een tekort op van zo’n 25 miljoen euro. Dat tekort werd verminderd door diverse elementen te versoberen of niet uit te voeren. Zo wordt het Centrumplein niet gebouwd, de Engelendaal niet versmald en de twee groene en stedenbouwkundige assen zijn geschrapt. Net als een jachthaventje in de Oude Rijn en een dynamisch stadscentrum op de locatie van het huidige gemeentehuis. Zouden die zaken wel zijn uitgevoerd, dan waren we vermoedelijk op -35 miljoen geëindigd.

Men kan zich vergissen. Vergissen is menselijk. Maar een vergissing is een marginale fout. Het verschil tussen budgetneutraal volgens het Masterplan en -25 miljoen volgens hetzelfde Masterplan (zelfs zonder de eerder opgesomde niet uitgevoerde elementen) is geen vergissing meer, maar een blunder en een gevolg van pure misleiding. Blunders en misleidingen waarvoor de hoofdrolspeler zich niet verantwoordelijk voelt – wat gezien zijn narcistische inslag niet verbaast – maar waarvoor hij ook niet aansprakelijk kan worden gesteld.

Die aansprakelijkheid zou men wel jegens de facilitators – de hem steunende gemeenteraadsleden en fracties – kunnen aanvoeren. Zes gemeenteraadsleden die Molkenboer consequent steunden [MacDaniel, Thunnissen, Hollands, van Reijn voor de PvdA, Vons voor GL en van Jaarsveld voor het CDA] zitten nog in de Raad. Wethouder Gardeniers, thans om andere redenen ook al zeer omstreden, is ook nog in functie. Geen hunner toont ook maar enig berouw, toont ook maar enig gevoel voor verantwoordelijkheid voor het grootste debacle in de Leiderdorpse politiek ooit.

Recent stapte de VVD uit het huidige college omdat men vindt dat de burgers niet middels OZB verhoging een deel van het gelag van links wanbeleid moeten hoeven betalen. Dat was ook als zodanig in het collegeakkoord overeengekomen. Zelfs in het voorjaar opnieuw bekrachtigd door CDA en PvdA. Inmiddels weet Leiderdorp wat het woord van die beide partijen waard is. Men zou zeggen dat CDA en PvdA in alle nederigheid de hamer zouden overlaten aan de VVD, BBL, LL en mogelijk zelfs GL. Na zo’n wanprestatie past slechts oppositie. Niets is minder waar. Het wanbeleid wordt gecontinueerd omdat GL zo serviel is om aan te schuiven.

Men ziet geen heil in een bestuurscrisis bij GL. En dat is nu precies waar competentie en emotie elkaar uitsluiten. GL heeft met afstand de minst competente fractie van Leiderdorp, al heel lang trouwens. Momenteel wellicht meer dan ooit. PvdA en CDA zijn hoofdverantwoordelijk voor de financiële troebelen in dit dorp. Vriend en vijand erkent dat, hoewel men twisten over de afrekenbaarheid. Maar zelfs GL zou – als ze competent waren – moeten erkennen dat PvdA en CDA op zijn minst de gigantische beleidsfouten van de afgelopen jaren niet hebben herkend. Ze zijn dus bewezen incompetent. Dan is er toch geen enkele plausibele reden om een bestuurscrisis te voorkomen? Een bestuurscrisis is juist het enige logische traject.

Het was de VVD die in grote lijnen de afgelopen jaren de grote risico’s van de projecten voorzag, of er althans op wees dat temporiseren van de ambitie de risico’s zou verminderen. Als de GL werkelijk het beste met Leiderdorp voor had, zou ze samen met de VVD en BBL een college vormen. Dat zou getuigen van het juist inschatten van competentie en van de eerlijke politieke verhoudingen.

Maar niets daarvan. GL prefereert een linksdogmatisch beleid en denkt vooral aan zichzelf. In de vorige periode schoof GL al aan terwijl er in het collegeprogramma niets was te vinden dat zich met GL liet identificeren. Men stemde zelfs voor een Brede School aan de snelweg, bebouwing van grote delen van de Houtkamp en de grootst mogelijke bomenkap in de geschiedenis van Leiderdorp (m.u.v. de Hongerwinter) vond in die periode plaats. Leiderdorp werd door de milieubeweging zelfs als een zeer weinig milieu- en natuurbewuste gemeente aangeduid. Maar GL stapt nu dus met dezelfde vermaledijde partijen in zee. Puur omdat GL wil regeren. Het pluche lonkt, de rede verliest wederom.

Tragiek

leiderdorpers.JPGDe tragiek van het geheel is dat het gros der burgers van Leiderdorp weinig doorheeft van de perikelen. Hoewel de Leiderdorpse burger tijdens de laatste verkiezingen duidelijk maakte dat er wel relatief veel burgers betrokken zijn bij de lokale politiek. De VVD won tegen de landelijke trend in een zetel, terwijl de PvdA en GL – wederom tegen de landelijke trend in – procentueel verloren. Helaas behielden zowel PvdA en GL hun zetels. Duidelijk was dat te weinig burgers zich bewust waren van de lokale competenties en incompetenties.

De tragiek is dus dat de kwaliteit van de lokale overheid steeds schrijnender vormen aanneemt. De regelgeving voor afrekenbaarheid van wanbeleid feodaal en ongeschikt blijft. De drempel voor ontslag van incompetente bestuurders steeds hoger lijkt te worden, maar de burger op zo’n grote afstand blijft staan dat het in het stemhokje nauwelijks tot afrekening komt.

Of zou het zo zijn dat de burger – net zoals de trend in de samenleving – steeds vaker zijn eigen schaapjes op het droge wil werken, omdat de burger zich realiseert dat of je nou door de kat of de hond gebeten wordt, de lokale politiek toch zelden kwaliteitsbeleid zal laten zien en het dus in feite weinig uitmaakt op welke fractie je stem uitbrengt?

Het mag bekend zijn dat ik zelf een voorstander ben van grote regionale overheden, min of meer volgens het Duitse Kreis model. Het gerommel in dorpjes en kleine steden moet maar eens over zijn. Regionale overheden met sterke competentiecentrums die in staat zijn de uitdagingen van de huidige maatschappij kundig te verwerken.

Daarbij ben ik een nog groter voorstander van de afrekenbaarheid van bestuurders en competentietoetsen voor gemeenteraadsleden. Wachtgeld moet geen automatisme zijn en welbewust wanbeleid dient civiel- of zelfs strafrechtelijk vervolgbaar te worden gesteld. Bovendien dient een vertrokken bestuurder ook a-postiori  ter verantwoording te worden geroepen en desnoods in zijn nieuwe betrekking te worden ontslagen. Het zal bestuurders behoeden voor overmatige risico nemen en het zal het gevoel van verantwoording nemen [of aangemeten krijgen] door bestuurders bij burgers aanzienlijk vergroten.

De wal zal het schip vroeg of laat keren. Ik ben ervan overtuigd dat de bestuurswetgeving binnen nu en enkele decennia stringenter zal worden gesteld. De enorm toegenomen afrekenbaarheid in het civiele verkeer verhoudt zich divergerend met de haast feodale onaantastbaarheid van het publieke bestuur. Daar zal een mouw aan worden gepast. Wat mij betreft eerder dan later. Want eigenlijk is het al vijf over twaalf. Voor Leiderdorp zeker. Dat kan zich opmaken voor nog twee jaar politieke rampspoed met een PvdA – CDA – GL college dan slechts tegenvaller op tegenvaller zal moeten opbiechten en wellicht nog wat kansen zal zien nog een paar extra euro te verbrassen.

De armoede van de politiek is in feite ook de armoede van de burger. De vraag die men dan kan stellen is: wie is er nu dommer, de politicus die zijn kansen ziet en grijpt, of de burger die hem kiest?
Beantwoord u die vraag zelf maar als lezer……..

Allert Goossens

Geschreven door Allert Goossens

29 november 2008

1 reactie

Laatste reactie door Sjoerd Postma

1 reactie op 'Is politiek voor de domme?'

Abonner op reacties met RSS or TrackBack to 'Is politiek voor de domme?'.

  1. Ja Allert. Voor wie is politiek. Ik denk voor een ieder. Ja, vaak een emotionele drijfveer. Ook vaak erkenning zoekend of aandacht. Vooral dat laatste is fnuikend. Interesse is misschien wel meer van belang dan uitvoering. Van belang blijft hoe je mensen geïnteresseerd blijft houden. Onderscheid tussen wel of niet dom laat ik buiten beschouwing, van de grootste gek kunnen we nog iets leren. Maar moegestreden en tot de conclusie komend dat iedere beslissing in het gemeentehuis zijn eigen weg gaat, zal een ieder die zich meer dan iets geïnteresseerd heeft in de politiek door drogredenatie en manipulatie de neiging hebben zich af te keren

    In de volgende column b.v. wordt de lekkage van het Zijlkwartier onder de aandacht gebracht. Jeff Gardeniers heeft een aantal keren beloofd om dit euvel te verhelpen. Astbest in de dakconstructie maakt het geheel wat kostbaarder. Ook de entree van de invaliden toegang zou op orde gebracht worden. Is meerdere malen beloofd. Nu het dak weer vooruitgeschoven en de toegang afgeblazen. Het gevolg is dat mensen zich gaan afkeren van dit soort walgelijk politiek gedrag. Wel centjes voor eigen stokpaardjes en genoegdoening. Geen centjes voor noodzakelijke voorzieningen.

    Ik weet dat er een manifest op komst is van een aantal volhouders, die een hoeveelheid zaken aan de kaak gaan stellen en zich een oordeel hierover gaan vormen. Gelukkig leeft de politiek nog bij een aantal actieven bij alle groepen uit de samenleving.
    Blijft staat dat zoals je het omschrijft dat de tragiek van het geheel is dat “het gros der burgers” van Leiderdorp weinig doorheeft van de perikelen.
    Meer dan uitstekende leerzame column en zeker een aanvulling naast de andere columns die je geschreven hebt.

    Sjoerd Postma

    1 december 2008

Reageer op dit bericht.